Door Kevin Kolart, managing partner · Devolvio
Bepalen wat mee moet
We beoordelen workloads op functie, gebruik en afhankelijkheden. Een ongebruikte omgeving hoeft niet opnieuw opgebouwd te worden. Een stabiele applicatie kan soms vrijwel ongewijzigd mee, terwijl een andere eerst een database- of integratieaanpassing vraagt. Het migratieplan maakt die verschillen expliciet. Zo wordt modernisering gericht ingezet in plaats van een extra programma dat elke verhuizing vertraagt.
Data bepaalt het draaiboek
Datavolume, wijzigingssnelheid en beschikbare verbindingen bepalen hoeveel voorbereiding nodig is. We onderzoeken een eerste overdracht, eventuele synchronisatie en de controle van de laatste wijzigingen. Ook autorisaties, tijdzones, bestandsrechten en koppelingen verdienen aandacht. Een kopie die technisch compleet lijkt, is nog niet automatisch een dataset waarmee de applicatie correct kan werken.
Acceptatie vóór afbouw
Per migratiegolf spreken we af wat moet zijn aangetoond: een kritieke gebruikersstroom, een reconciliatie van data, een prestatiegrens of een geslaagde hersteltest. De functionele eigenaar heeft een duidelijke rol bij acceptatie. Terugvalmogelijkheden en hun tijdsgrenzen worden vooraf vastgelegd; na nieuwe transacties kan teruggaan extra datasynchronisatie vragen. De bronomgeving verdwijnt pas na een expliciet besluit.
Illustratief scenario: Een applicatie met database en nachtelijke koppelingen
Een administratieve applicatie gebruikt een database, een bestandsmap en een nachtelijke import. Alleen de virtuele machine verplaatsen laat twee afhankelijkheden achter. We nemen de complete keten op in de pilot, testen het importproces en controleren de uitkomsten met de applicatie-eigenaar. Het cutoverplan beschrijft wanneer nieuwe invoer stopt, welke data nog wordt gesynchroniseerd en hoe de volgende werkdag wordt gecontroleerd.